• bij·zen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bijzen
bees
bijsde
gebezen
gebijsd
klasse 1

zwak -d

volledig

bijzen

  1. inergatief razend rondlopen, bijv. door muggen getergd
     Hoe schommelt en
    hoe rommelt hij,
    voorbij
    den bosch, gebezen!.
    Wie durft er, als
    zoo'n wilde wind
    begint,
    onwaakzaam wezen?
    [3]
  1. bijzen op website: Etymologiebank.nl
  2.   Weblink bron
    R.K. Kuipers
    “Geïllustreerd woordenboek der Nederlandsche taal” (1901), Elsevier  
  3.   Weblink bron
    Gezelle, Guido
    “Verzen” (1902), Veen